Dr John the Nighttripper: I walk on guilded splinters

HET JUISTE BAKJE

In 1971 kende ik drie soorten muziek. De bloemkoolmuziek van mijn ouders. Voor zover ik daar al van hield, hield ik dat angstvallig voor me. De Top40 muziek van Radio Veronica, daar woonde ik in. En dan had je nog de Psychedelische LP-muziek van de Superclean Dreammachine met Ad Visser (als ik me goed herinner maandag avond 10 uur). Die begreep ik niet helemaal – daar moest je verdovende hasjiesj voor gebruiken – maar het bood een venster op een andere wereld. Op een mooie zomeravond, terwijl de kleintjes nog buiten speelden en mijn vader iets anders om handen had, zag ik op VPRO’s Piknik een enorme mafketel, getooid met vogels en veren, een blanke medicijnman, die junglemuziek maakte en met een kraaienstem bezwerende toverspreuken zong. Als hier geen verboden medicijnen in het geding waren, wist ik het niet meer. Pas tien jaar later realiseerde ik me, dat ik had gekeken naar Dr John the Nighttripper, en gisteren zag ik op het internet dat ik in 1971 had geluisterd naar I walk on guilded splinters, mijn favoriete track van zijn debuutalbum Grisgris (1968). Eindelijk kon ik die herinnering in het juiste bakje stoppen.

 
DE SMELTKROES

Eigenlijk komt I walk on guilded splinters uit een soep vol vreemde ingrediënten: Fats Domino, Professor Longhair, Heroïne, Moerassen, Zonde, Verbanning en de Summer of Love. Dat zit zo. Mac Rebennack was een product van het New Orleans van de jaren vijftig, ver voor de orkaan Katrina, toen de stad nog een rokende vulkaan van muziek en zonde was. Mac was een veelgevraagde sessiemuzikant op piano en gitaar, een handige blanke jongen met zwarte vrienden. Voor de grote studio’s deed hij 101 klusjes. Hij kwam tijd te kort, omdat hij al vanaf zijn 14e verslaafd was, zodat hij de klok rond kon spelen (in de meest brede zin van het woord) om in zijn behoefte te kunnen voorzien. Louis van Gaal zou zeggen: een vicious circle. Af en toe werd zijn kick and rush leventje onderbroken door de drie spelbrekers: de Agent, de Rechter en de Cipier. Dan kickte hij noodgedwongen af – cold turkey – tot hij weer buiten stond en het circus opnieuw begon. Maar na zijn laatste gevangenisstraf, was het duidelijk dat ze hem niet meer met rust zouden laten, als hij niet definitief zijn leven beterde. Daarom vluchtte hij naar … hoe laat is het? 1967. Waar was het te doen? … naar California natuurlijk! Daar ging hij weer op zoek naar werk, maar hij merkte al snel dat de wereld was veranderd, sinds hij voor het laatst had buiten gespeeld. Iedere mafkees met drie akkoorden en vreemde nieuwe ideeën maakte zijn eigen muziek, en de platenmaatschappijen renden als loopse teven achter de jonge helden aan. Steve Miller vertelde aan Muziekkrant OOR dat hij, toen hij nog een nobody was, drie maatschappijen tegen elkaar liet opbieden voor hij tekende.

 

VOODOO EN FONK

Mac Rebennack had alle akkoorden in zijn mars en al een leven achter de rug, maar niemand zat in 1967 te wachten op zijn muzikale roots. Hij zag al dat lange bloemetjeshaar, die dampende waterpijpen en kleurige kleren en hij dacht: dat kan ik beter. Hij kwam uit de stad van de Mardi Gras – het jaarlijkse carnaval – waar de Voodoo cultuur nog in de moerassen borrelde. Zo creëerde hij zijn alter ego Dr John Creaux en hij mocht van Atco een plaat maken. Zij noemden hem, als verwijzing naar de LSD cultus van professor Timothy Leary, Dr John the Nighttripper. Hij liet wat vrienden overkomen uit New Orleans en zijn hypnotische junglemuziek ging erin als spacecake, al vond Atco het wel jammer dat er geen nummers op stonden, die ze als single aan de radio konden verkopen. Maar Take it easy, man! Hitparades are history. Albums are in! Dat was de groove van de underground scene, waar hij toe behoorde.

Toen zijn eerste LP Grisgris uitkwam, liep ik nog in een korte broek, ik luisterde naar Conny Francis en the Monkees en had zelfs nog nooit stiekem een slokje bier geproefd. VPRO’s Piknik werd voorlopig opgeborgen in het laadje: Herinneringen zonder naam. De naam Dr John viel me pas op in 1976, toen The Last Waltz uitkwam, de driedubbele live LP van mijn favoriete band, The Band. Daarop speelde hij Such a night. Ik kocht meteen de LP waar dat op stond. Dr John maakte inmiddels swingende muziek met veel piano en blazers, rhytme & blues en funk, of Fonk, zoals ze in het diepe zuiden zeggen. Daar bleef het bij tot ik in 1980 met mijn geliefde in de Badlands van Friesland ging wonen, tussen de Waldpiken. Ik zocht aansluiting bij een andere banneling – blueskenner Johan ‘Yellowdog’ Spin – en bij hem hoorde ik voor het eerst Babylon, ook van Dr John maar uit de tijd dat hij nog the Nighttripper was. Zo gaat dat. Hoe ouder je wordt, hoe verder je terugkijkt. Via Babylon kwam in tenslotte bij zijn debuut Grisgris met daarop I walk on guilded splinters, op het moment dat zelfs de Punk al weer voorbij was en de New Wave ons overspoelde.

In ’95 kocht ik zijn autobiografie Under the Hoodoo Moon, één van de beste boeken die ik ooit heb gelezen. Echt lezen, dat moet! Goed dan, één van de vele verhalen uit zijn Voodoo-periode: Mac had van zijn leven nog nooit een manager gehad of een contract getekend, maar toen hij platen ging maken moest hij wel. Toen hij erachter kwam dat hij was besodemieterd, kocht hij een pistool en leende een auto om zijn manager te vermoorden. Gelukkig begaf de auto het en toen die was weggesleept, was de grootste woede voorbij en begon hij na te denken. Alles hangt van toeval aan elkaar, of zouden het toch de konijnenpootjes zijn, die hij altijd om zijn hals draagt?

 

DE COVERSTORY

Wat ik nooit heb geweten en wat ik ook niet begrijp is, dat juist I walk on guilded splinters de meest gecoverde song van Dr. John werd, met een aantal hitparade noteringen en een voorlopig hoogtepunt in 1995! Dat verhaal begint bij de opnamestudio. Grisgris is opgenomen in studiotijd, die oorspronkelijk door Sonny & Cher was gereserveerd, maar het echtpaar had mot gekregen. Cher besloot een jaar later een soloplaat te maken in de legendarische Muscle Shoals studio’s, naar het bejubelde voorbeeld Dusty in Memphis van Dustie Springfield. Jerry Wrexler van Atco nam de plaat op – titel 3614 Jackson Highway, het adres van de studio in Sheffield Alabama – met daarop onder andere I walk on guilded splinters. Ze waren zo enthousiast dat het zelfs op single werd uitgebracht. Persoonlijk prefereer ik toch het creoolse koortje van Dr John boven Cher’s Mannekoor uit Alabama. Maar we gaan verder. Cher kreeg verkering met Greg Allman, dus namen the Allman Brothers het Guilded splinters op. En broertje Duane Allman produceerde de LP Ton Ton Macoute! van bluesman Johnny Jenkins, wederom met I walk on guilded splinters. Deze versie werd in ‘93 gesampled door Beck voor Loser, en dat zette Paul Weller weer op het spoor. Er zijn nog meer versies, maar dat is allemaal slappe hap. Weller bracht het er naar mijn bescheiden mening nog het best af. Hij liet de Voodoo los en transformeerde Guilded splinters tot een zware rocksong. Op Youtube staat een prachtige live-uitvoering bij Jools Holland BBC.

En hoe verging het de doctor? Rond zijn 50e kickte hij eindelijk af van zijn medicijnen. Hij bleef nog wat aanrommelen, maar vernieuwde zich niet meer en keerde zo terug naar de obscuriteit, waaruit hij door een samenloop van omstandigheden in de Summer of Love vandaan gekropen was, als een alligator op Sunset Boulevard. 

Maar Plop!, vorig jaar verscheen er zomaar opeens een Tribute Album: The musical Mojo of Dr John: Celebrating Mac & his Music met daarop een jazz uitvoering van I walk on guilded splinters, uitgevoerd door de 76-jarige Dr John himself en Sarah Morrow, zijn tromboniste en bandleider. Laten we voor het verhaal zeggen, dat daarmee de cirkel rond is.

 

Bekijk ook...

Like a hurricane! (1976)

Vervolg op Neil Hier! (1976) waarin ik vertelde, dat ik op 26 maart 1976 in de Edenhal stond. De lichten gingen uit … … en plotseling doemde daar wankel een man met lang haar en opgelapte kleren op, die zich met de blik op de grond een weg zocht langs de kabels en het instrumentarium. We juichten! Dat was hem! Dat was Neil Young! Hij was het echt!

Herman & Hedzer

De laatste dans: Listening wind (1987)

Mijn vrouw was al naar bed. De kleine sliep, maar ik was onrustig, die laatste zomer in de stad. Het oude huis, dat naar mij rook als een oude trui, gaf niets terug. Ik trok mijn witte laarsjes aan en, vooruit, deed nog eenmaal mijn gouden sjaal om. Voorzichtig trok ik de deur achter mij dicht en snoof de avondlucht diep in mijn longen. Met verende tred, op zoek naar mijn ritme, liep ik naar het centrum.

McCartney 1970

Misschien ben ik verbaasd

In een documentaire over the Kinks vertelde Noel Gallagher dat Ray Davies met Paul McCartney de beste songwriters waren uit het Verenigd Koninkrijk, dat tegenwoordig overigens behoorlijk verdeeld is. Die voorkeur voor Paul McCartney deed me goed, temeer omdat in het collectief bewustzijn John Lennon er over het algemeen het beste vanaf komt. Ik begrijp dat wel, want ik had hetzelfde tot 1980, toen ik werd bekeerde.