Er is een Amsterdammer doodgegaan

In de jaren zestig zegt Johnny Meijer zijn internationale carrière definitief vaarwel, en schuift met zijn accordeon aan bij zijn zwager Cor Pieters, beter bekend als Manke Nelis. Ze doen het goed in Café Nol (‘Altijd lol bij café Nol’) in de Jordaan. Manke Nelis kan aardig zingen bij het plukken aan zijn contrabas, maar van jazz heeft hij hoegenaamd geen kaas gegeten.

Zijn grootste succes was ‘Laat de boel maar waaien’, en daarmee is bijna alles gezegd.

De Brabander

Toen Amsterdam in 1975 700 jaar bestond, werd er een liedjeswedstrijd uitgeschreven. Die werd gewonnen door Wim Kersten met Er is een Amsterdammer doodgegaan. Was dat niet …? Jazeker, dezelfde Bosche Bol van Bloemetjesgordijn. Het lied werd gezongen door Johnny Kraaykamp de Oude. Hij bracht het met zijn bekende Amsterdamse tongval, een beetje staccato, want eigenlijk paste dat liedje hem niet zo goed. Het is nog steeds te vinden met een twijfelachtig soep-arrangement, zo van: mik dat instrument er ook nog maar bij.

Het werd ook het opgenomen door Manke Nelis, al heb ik niet kunnen achterhalen wanneer. Manke Nelis was een Jordanese zanger uit de school van Johnny Jordaan. Met een harde sigaren-stem en een vet vibratie, kon hij het trage tempo van deze ballade prima aan. Hij trad in die jaren in verschillende Amsterdamse cafés op met zijn zwager Johnny Meijer op accordeon. In 1987 had hij een grote hit met Kleine Jodeljongen, maar zijn grootste succes was de meezinger Laat de hele boel maar waaien, wat als een credo voor zijn muzikale ambities zou kunnen gelden.

Magere Hein

Het is een opmerkelijk lied voor zo’n feestelijke aangelegenheid, want er gaat elk couplet iemand dood en toch is het geen drama. De dood hoort ook bij het leven, lijkt Wim Kersten te willen zeggen. Hij beschrijft het authentieke Amsterdamse leven, zoals dat zo ruimhartig en breedsprakig is gedocumenteerd door wijlen Simon Carmiggelt. In dit geval doet hij dat, door juist de alledaagsheid van de dood te beschrijven. Daarbij bedient hij zich van zulk authentiek jargon, dat je je niet kunt voorstellen dat een Brabander het heeft geschreven.

Er is een Amsterdammer doodgegaan. Hij liet z'n hondje plassen op de wallen.
Z'n rikketik was even blijven staan, En kijk, hij was al uit de koets gevallen.
Daar lag ie in de regen, modder op z'n goeie pak,
Twee kaartjes voor Toon Hermans, had ie ook nog in z'n zak.
Hij was toch nog zo graag 'n avond naar Carré gegaan,
En allemaal zo rond het zevenhonderd jaar bestaan.

Geen ziekte of ongeluk, ze vallen zomaar om. Die Amsterdammer, even later was hij naar de haaien, of hupsakee, hij gaf de pijp aan Maarten, of kijk, hij was al uit de koets gevallen. En in het laatste couplet wordt de tijdelijkheid van het bestaan fraai uitgelicht. De overledenen passeren nog even, met een spot de lege plek die ze achterlaten.

Er is een Amsterdammer doodgegaan.
Die hoek is leeg daar in 't stamcafeetje.
Wie soms nog aan 'm denkt, is tante Sjaan,
Die mist 'm ied're dag nog wel 'n beetje.
Het pierement gaat door de straat, één is er niet meer bij,
En in Carré, bij Hermans, daar is ook 'n stoeltje vrij.
Je kunt er niet om heen, je moet er even stil bij staan,
En allemaal zo rond het zevenhonderd jaar bestaan.

Het zachte meezingen van het publiek past daar prachtig bij. Eerbied en gezelligheid, even ‘ach en wee’ en ‘het is me wat’. Ongeveer zoals ik me de begrafenissen van mijn grootouders herinner. Die gingen gewoon dood van ouderdom. Kanker had je toen nog niet. Een bomvolle kroeg, met een deken van rook en we nemen er nog maar één op Pake.

Die houding past in mijn katholieke jeugd, hij past in het Brabantse leven van Wim Kersten en ook in de ‘Laat de boel maar waaien’-houding van het ouwe Mokum. Al voor de oorlog zong Louis Davids over De begrafenis van Ome Manus, waarbij de kist onder het biljart belandt, terwijl de dragers zich een stuk in de kraag drinken. Wie weet, misschien past het ook wel in de Joodse traditie.

Die andere Sjonnie

Toch, als ik deze versie hoor, moet ik vooral denken aan die man in de achtergrond, Johnny Meijer. Hij was een grootheid, een virtuoos op de accordeon. In 1953 en 1954 werd hij in Parijs wereldkampioen en uitgeroepen tot Koning van de Accordeon. Hij begeleidde Maurice Chevalier en Josephine Baker en maakte vele platen. Hij speelde even gemakkelijk Swing als de zigeunerjazz van Django Rheinhart. Hij speelde Roemeense muziek en klassiek. Zijn Achilleshiel was zijn afkomst, de Jordaan en keerde begin jaren zestig ziek van heimwee terug naar Amsterdam. Daar kun je niet zoveel kanten op met een accordeon. Zo belandde hij tegen wil en dank toch steeds weer naast zijn zwager. Manke Nelis had een talent voor vrolijkheid, meer dan Johnny Meijer. Net zo goed als Boris Jeltsin meer talent voor vrolijkheid had dan Rudolph Nurejev. Johnny Meijer gleed steeds dieper weg. Hij dronk zwaar en kwam zijn afspraken niet na. Hij had ook steeds meer moeite zijn AOW-tje aan te vullen. Midden jaren tachtig kregen de neven mot, elk gefrustreerd door de tekortkomingen van de ander.

John Appel, die later Zij gelooft in mij over Hazes maakte, filmde de laatste dagen van Johnny Meijer in 1992. Het maakte diepe indruk op mij. Zwaar gedesillusioneerd rookte hij zijn laatste doos sigaren voor het raam van zijn ongezellige bovenwoning. Hij had nog een gastoptreden in het Concertgebouw en af en toe deed hij nog weleens wat met zijn zwager, maar eigenlijk wilde hij dood. Toen Magere Hein bij hem aanbelde, liet hij zijn accordeon op het kastje staan en de lege fles op het aanrecht staan.

Weer moet ik denken aan de keerzijde van de saamhorigheid in de Jordaan, waar Robert Long en Leen Jongewaard over zongen. Zo heeft Er is een Amsterdammer dood gegaan voor mij toch altijd net één laag meer.

Eerder verschenen in de bundel Tekst op Muziek 2016

Bekijk ook...

Spporzicht Koudum

Spoorzicht

‘Zal ik de dozen van zolder halen?’, vroeg ik zaterdag na Driekoningen. Mijn vrouw keek een beetje zuur en vroeg: ‘Zullen we hem niet nog een weekje laten staan?’ ‘Mij best,’ zei ik, ‘we hebben niet voor niets een plasticboom. Wat mij betreft blijft hij staan tot Pasen.’ Onwillekeurig moest ik denken aan een zaterdag tegen Pasen 1976.

Vader & dochter Oosterhuis

Trijntje Oosterhuis

Het is net als met de Elfstedentocht. Het komt steeds minder vaak voor en soms denk ik vertwijfeld: Zou ik het nog eens meemaken? Maar dan, op een onbewaakt ogenblik, slaat het toe. Ik hoor iets, dat ik nog niet eerder heb gehoord, iets dat volkomen nieuw is, iets dat hier binnen niet vanzelf een weg vindt naar mijn hoofd, naar mijn hart, of mijn onderbuik.

Mac Rebennack, alias Dr John the Nighttripper op VPRO's Piknik

Dr John the Nighttripper: I walk on guilded splinters

In 1971 kende ik drie soorten muziek. De bloemkoolmuziek van mijn ouders. Voor zover ik daar al van hield, hield ik dat angstvallig voor me. De Top40 muziek van Radio Veronica, daar woonde ik in. En dan had je nog de Psychedelische LP-muziek van de Superclean Dreammachine met Ad Visser. Die begreep ik niet helemaal – daar moest je verdovende hasjiesj voor gebruiken – maar het bood een venster op een andere wereld.