K-k-koud

Een ommetje op zondag

‘Jakkes, wat is het koud,’ kreunde ik, terwijl ik mijn handen bijna door mijn zakken heen drukte. Ik zei dat niet om te klagen, maar om mijn ongerief te bedwingen door het onder woorden te brengen. Althans, dat denk ik achteraf, want feitelijk is het onmogelijk je motieven ten diepste te kennen. 
‘Jij wou er toch even uit?’, merkte mijn vrouw luchtig op.
‘Natuurlijk. Een mens kan niet de hele dag binnen zitten. Het was droog, maar nu we buiten zijn is het toch vies koud. Dat wou ik gewoon even zeggen.’
‘Maar waarom trek je dan ook geen trui aan?’, vroeg mijn vrouw bezorgd, ‘en waar heb je die handschoenen, die ik je voor je verjaardag heb gegeven?’
‘Maar ik heb toch een dikke leren jas aan?’, sputterde ik. Zij droeg een lange gewatteerde jas, maar zij was dan ook een vrouw.
‘Dat is geen dikke jas. De voering zit meteen tegen het leer aan. Daar zit niks tussen.’
‘Shit, je hebt gelijk,’ moest ik na ampel onderzoek toegeven, ‘maar hij voelt zo dik.’
‘Die leren jas is oud en dan wordt hij stijf, maar niet warm.’
Net als ik, dacht ik mismoedig.
‘Ja … nee, je hebt gelijk. Het is een gegeven. Het is een feitelijk fenomeen. Trouwens, eigenlijk was ik van plan om een trui aan te doen en de handschoenen uit de auto te halen, maar het zit gewoon niet in mijn systeem. Pas als ik het koud heb, denk ik eraan. En vroeger had ik het nooit koud. Nooit. Ik kon dat gewoon wegdenken. In mijn HTS-tijd liep ik zelfs in de winter op slippers en in een kort jasje,’ mijmerde ik, terwijl ik als een mus begon te hippen.
‘Is dat echt nodig?’, vroeg ze zonder verwijt.
‘Sorry,’ zei ik en synchroniseerde mijn pas weer met de hare, zoals dat in een goed huwelijk hoort. Zo had deze korte gedachtewisseling dus onverwachts een existentiële wending genomen. Met de snijdende kou was ook de harde realiteit binnengedrongen. De ouderdom was gearriveerd.

We ontweken een paar plassen en namen een schelpenpad. Tussen de bomen was de wind opeens verdwenen. Dat scheelde, maar nog steeds had ik het koud.
‘Als we thuiskomen, maak ik warme chocolademelk,’ beloofde ik.
‘Als je liever teruggaat ….’
‘Nee, nee. We maken dit ommetje nu ook af. Een frisse neus is gezond. Al wordt het mijn dood.’
Nu kreeg ik een ernstige reprimande. Ik mocht niet met de dood spotten, dus gooide ik er nog maar een sorry achteraan. Natuurlijk mocht ik niet spotten met de dood, … al was ik even vergeten waarom ook alweer niet. Ik ben katholiek opgevoed. Op de lagere school was ik zelfs een vaste misdienaar bij uitvaartdiensten. De dood hoorde gewoon bij het leven. En, laten we er niet omheen draaien, als een warmbloedig mens de warmte niet kan houden, gaat hij uiteindelijk dood. Zo viel ik zelfs ten prooi aan non-existentiële denksels.

De verroeste brug

Hoe lang is dat ommetje eigenlijk, vroeg ik me af. Zelfs de korte route over de verroeste brug leek opeens ondragelijk lang. Ik wreef mijn handen, kletste mijn dijen hard en sloeg mijn armen warm, waarbij ik mijn vrouw per ongeluk raakte. Zij onderbrak haar verhaal over een kennis, die al twintig jaar ruzie had met haar moeder, die inmiddels op sterven lag en ze keek me vragend aan. Ik zoende haar opzichtig, omdat ik een innige behoefte voelde aan liefde en contact. Toen zei ik ernstig:
‘Ik vind … ik vind echt dat ze er naartoe moet. Ze hoeft het niet goed te maken. Zo’n kwestie kun je ook best wel even ophouden als je een stervende bezoekt, vind je niet?’

Ze was het Godzijdank met me eens. Ik was gelukkig niet alleen op de wereld en stak mijn handen weer in mijn zakken. Om de kou te verdrijven probeerde ik nu aan ruzies te denken, maar eigenlijk had ik nooit ruzie. Ja, vroeger, met mijn vader. Maar in onze jeugd hoorde dat er gewoon bij. En natuurlijk met tegenstanders en tegenwerkers in de bouw, maar dat was functioneel, ritueel. Dat voelde ik niet echt vanbinnen. Vanbinnen … was ik verdomde k-k-koud. Word je van zeuren over de kou eigenlijk warmer, vroeg ik me af, of juist niet? Geen idee, mijn gevoel stond op een waakvlam. We daalden de verroeste brug weer af en koersten aan op de poortjes van Koos.

‘Misschien moet ik toch mijn bloedsomloop eens laten nakijken,’ opperde ik tijdens een stilte tussen twee onderwerpen.
‘Heb je last van je hart, dan?’, vroeg ze ernstig.
‘Nog niet, maar daarom kan de boel toch wel dichtslibben. Je weet maar nooit. Ik ben geen 25 meer.’
‘Nee. Jij bent geen 25 meer. Maar als je weer de deur uit gaat, zou je je ook eerst eens wat beter kunnen aankleden.’
‘Oké, je hebt gelijk. Voortaan zal ik beter naar je luisteren … als jij dat zegt vóór we de deur uit gaan.’
Mijn geliefde greep me stevig in de arm en fluisterde in mijn oor: ‘Ik ben je moeder niet.’
Het was vreemd. Opeens had ik het een stuk minder koud.

Bekijk ook...

Pier Nijholt (1922-2008)

Afscheid (2008)

Pas jaren later besefte ik, wat mijn vader me liet zien. Wachtend op de dood, nam hij afscheid van zijn leven met verhalen over de onbelaste jaren van zijn jeugd. Dat was de tijd dat hij met zijn vrienden ging voetballen en daarna naar het café. Alle dorpsfeesten liepen ze af, op zoek naar vertier en ongein. Vrij en zonder zorgen. ‘Toen waren wij er nog niet,’ concludeerde mijn broer, maar ik dacht terug aan de kermis van ‘63.

Match Fixing (1968)

De jaarlijkse voetbalwedstrijd van de Bonifatiusschool tegen de Openbaren zou plaatsvinden op een echt voetbalveld van Sportclub Joure onder leiding van onze gymleraar van der Meer. Wij minachtten van der Meer, want hij spuugde bij het praten, dus noemden we hem heimelijk Flieber. Bovendien was hij gemeen en zelf Openbaar, dus floot hij vast tegen ons. Jopie was onbetwist de beste voetballer van de school, dus hij bepaalde wie erin zat.

De kleur van Liefde

‘Kan ik u helpen?’, vroeg het bloemenvrouwtje. ‘Misschien,’ zei ik, ‘waar staan de gele boeketten?’ ‘Geel! Dat is grappig,’ riep ze olijk. ‘Niemand vraagt om geel.’