Kroniek van een vriendschap # 1

Mijn vriend Koos van der Sloot is niet meer, maar het eeuwig leven gaat door: in zijn nalatenschap, in de herinneringen en verhalen, totdat ook wij – de vlamdragers – zelf herinnering zijn geworden. Ik barst van de verhalen en wil er graag een aantal met jullie delen.

Het begin van onze vriendschap,

ruim 38 jaar geleden, was zowel markant en karakteristiek. Ik kende Koos al mijn leven lang, maar de eerste keer dat ik hem sprak was op de bruiloft van zijn zuster Loes. Ik complimenteerde hem met zijn verhaal ‘Hortus Botanicus’, een balsturige roadtrip met veel bravoure geschreven. Ik had het via Loes gekregen voor mijn literair tijdschrift in oprichting, De Vogelaar. Koos vertelde toen ook, dat hij binnenkort voor zijn werk naar Drachten verhuisde. Ik woonde met mijn geliefde in Noardburgum, omdat ze daar voor de klas stond, dus zei ik: ‘Zodra ik mijn rijbewijs heb, kom ik eens langs.’
In september 79 bezocht ik Koos in zijn nieuwe flat op de St Jansberg. Toen de koetjes en kalfjes in de wei stonden, vroeg Koos: ‘Zeg, hoe staat het nou met dat tijdschrift van jou?’
Ik legde hem uit dat het niet meeviel, om voldoende kopij van anderen te vergaren van een beetje niveau. Ik zou het in mijn eentje kunnen volschrijven, maar dat was niet de bedoeling.
‘Dat doe je ook helemaal verkeerd,’ zei hij meteen, ‘dat moet je met mij doen. Wij gaan samen die Vogelaar maken.’
Ik maakte meteen bezwaar, want ik had net de eerste redactie ontbonden en ik wilde ook stoppen als manager van een vriendenband. Ik had mijn bekomst van al die stroperige samenwerkingen. Maar Koos hield voet bij stuk, dus zei ik tenslotte: ‘Nou goed, voor het eerste exemplaar dan. Daarna moeten we maar eens verder kijken …’
Vanaf dat moment waren wij vrienden. Onze samenwerking kwam pas weer ter sprake, toen Koos drie jaar later bij ons langskwam, om te vertellen dat we ermee ophielden. We.

De theepot

Naast het schrijven van gedichten, bestond zijn bijdrage aan De Vogelaar vooral uit het verzamelen van kopij uit zijn vruchtbare netwerk. We bespraken wat erin kwam en ik maakte het blad, en als het was gedrukt bij het Fries Servicecentrum zetten we samen in elkaar. In een apart zaaltje betekende dat: vergaren, nieten, vouwen en bijsnijden.
Op een dag klonk er gestommel en geschreeuw vanaf de gang. Even later verscheen een lijkbleke drukker, om te vertellen dat de drukkerij was bezet door een roedel militante feministen. Een lesbisch meisje, dat bij hen stageliep, voelde zich gediscrimineerd …
‘En ze hebben de deur op slot gedaan,’ voegde hij eraan toe.
De ontzette drukker droop af en wij gingen weer aan het werk. We konden nog wel een uur vooruit in ons zaaltje, maar daarna moesten we bijsnijden, en de snijmachine stond in de drukkerij.
‘Sukkel,’ zie Koos. ‘Je moet zo’n domme geit natuurlijk niet discrimineren, maar wat hebben wij daar (blieb) mee te maken!?’

Wij overwogen de deur te forceren en de schade op die meiden af te schuiven, maar al snel diende zich een betere oplossing aan. Af en toe ging de deur van de drukkerij – morrel-morrel – open en dicht. De wc was namelijk op de gang. Toen we er klaar voor waren, namen we elk een stapel tijdschriften en slopen de gang op. Binnen werd meegezongen met muziek van Kate & Ann McGarrigle. Koos fluisterde: '… we rammen ons er gewoon doorheen'. Het duurde niet lang voor wij – morrel-morrel – met twee schouders tegen de deur onbedoeld werden binnen gelaten. Eén van de dames viel achterover. Koos beende onvervaard over haar heen. Hij had zijn boze oog op de aanvoerster gericht. Ik volgde in zijn kielzog.
‘Wij zijn zo weer weg,’ zei ik laf, ‘wij moeten dit alleen even bijsnijden.’
De andere tuinbroeken zaten op de vloer, rond een pot thee, een cassetterecorder en een telefoon met een lang snoer. De woordvoerster maande haar gevolg tot kalmte, waardoor een handgemeen uitbleef. Wij gingen aan de slag. Kennelijk hadden ze geen lust meer in zingen, ze zetten de cassetterecorder af en probeerde de Pers erbij te halen. Tevergeefs. Eenmaal weer buiten zei Koos:
‘Als je niet bereid bent om in een gootsteen te pissen, moet je ook niet aan zo’n bezetting beginnen.’
‘Toch jammer dat de krant er niets in zag,’ opperde ik.
Hij keek me verstoord aan.
‘… voor ons plakboek, bedoel ik.’

 

Wordt vervolgd
 

Bekijk ook...

Rue Michel Bizot 48 Parijs 7e verdieping

De ogen van Francine

Ze zeggen dat je eerste liefde heimelijk altijd op nummer één blijft staan. Maar dat geldt niet voor mij. Ik denk nog zelden aan haar terug en dan nog slechts met weemoed. Maar toen de Oude Schrijver haar naam noemde, zag ik weer haar ogen, smeulend verlangen naar brandende liefde.

Alpejagerslied verbeeld door Herman Nijholt

Vanouds de Vriendschap

In de tijd dat ik veel poëzie las was mijn favoriete gedicht Alpenjagerslied van Paul van Ostaijen. Waarom? Geen idee. Dit gedicht beschrijft in 150 woorden een vluchtige groet in het voorbijgaan. Door die minimale gebeurtenis, beschreven in eindeloze herhalingen, heeft het iets magisch. Zoals ik in mijn kindertijd door het Kerklatijn de aanwezigheid van God vermoedde.

Rook

Een oude man met een ijsmuts diep over zijn oren getrokken bleef staan voor de deur van het sigarenmagazijn. Hij trok een zakdoek tevoorschijn, trad naar binnen en snoot zijn neus. De detaillist met krul-snor veerde op achter zijn toonbank, en liep de klant met voorzichtige pasjes en een uitgestoken hand tegemoet.